Wat gaat komen

 

Op 21 juni opening van onze tentoonstelling Onderwijs in het land van Maas en Waal.

De geschiedenis van het onderwijs in het land van Maas en Waal

 

Voor de reformatie was het onderwijs in de handen van de Rooms-Katholieke kerk en de kloosters. Karel de Grote vaardigde wetten uit zoals die van 789 waarin stond dat er scholen gesticht zullen worden , waarin de kinderen lezen. Dit gebeurde in kloosterscholen. Jongens moesten daar leren lezen, schrijven, zingen en bidden. Pas in de veertiende eeuw kwamen er in verschillende steden en dorpen onafhankelijke scholen waarbij ook meisjes tot het onderwijs werden toegelaten.

 

Bij de reformatie kwam het onderwijs in handen van de overheid die op dat moment het gereformeerde geloof was toegedaan. Het katholieke geloof werd verboden en vanaf dat moment werden alle openbare scholen “gereformeerd”. In de zeventiende eeuw zaten jongens en meisjes van alle leeftijden in de school door elkaar. Er waren nog geen echte schoolgebouwen. Vaak werd lesgegeven in de schuur of de stal van de leraar. Deze leraar was vaak de koster van de protestantse kerk. Hoewel in 1681 nadrukkelijk was geordonneerd dat het onderwijzersschap als hoofdberoep moest gelden; in de praktijk kwam hier weinig van terecht. De leerlingen leerden lezen, schrijven en in sommige gevallen rekenen. Kinderen werden betaald per lesje. Rekenen was het duurste vak en werd daarom niet vaak gegeven.

Niet altijd hield men zich aan de regels. In Puiflijk, een dorp dat stiekem altijd katholiek was gebleven kreeg men in 1602 Johannes Laurentii als zielzorger. Voorheen gaf hij les in Hien over de Waal waar hij schoolmeester was geweest. Waarschijnlijk zal hij dat beroep in Puiflijk ook stiekem hebben uitgeoefend. De bewoners gingen niet naar de christelijke school maar naar het klooster in Megen. Aan het einde van de achttiende eeuw was de kloof tussen katholiek en protestant nergens zo groot als in het land van Maas en Waal. Aan de ene kant had je een kleine groep protestanten die alles voor het zeggen hadden en voorrechten genoten. Het bestuur was in hun handen, zij bezaten de kerken en het onderwijs was hun monopolie. Aan de andere kant had je de katholieken; zij waren verre in de meerderheid maar weinig ontwikkeld. In feite werden zij behandeld als tweederangs burgers; zij bezaten nauwelijks rechten en hadden geen kans om invloed uit te oefenen, op welk gebied dan ook. Doordat onduidelijk was of de onderwijzer nu koster was of leraar werden ook de vergoedingen daarvoor een bron van discussie. Pas met de schoolwet in 1857 werden minimum bedragen voor inkomsten van onderwijzers genoemd. Juist omdat openbare scholen een vergoeding kregen voor onderwijzer en schoolgebouw leidde dat er toe dat de katholieken er op uit waren om de school over te nemen. Juist hierom waren de protestanten beslist niet genegen de school in eigendom over te dragen.

Met de Bataafse omwenteling kwam er een eind aan deze rechtsongelijkheid. De geest van vrijheid, gelijkheid en broederschap speelde de katholieken in de kaart. Daarbij ontstond hier in de regio een enorme spanning; de protestanten wilden niet zo maar hun voordelen opgeven en de katholieke eisten hun rechten luidkeels op. Men probeerde de protestantse onderwijzer van de openbare school te verwijderen. Telkens als er een vacature ontstond eiste men een katholieke leraar die vaak niet voorhanden was. In 1806 kwam de eerste onderwijswet (ook wel de schoolwet van 1806 genoemd) die regelde het lager onderwijs van 1806 tot 1857. Daarna werd de wet vervangen door de onderwijswet van 1857. De belangrijkste zaken die in de wet van de hand van Adriaan van den Ende en Johannes van der Palm werden vastgelegd zijn de volgende:

· Leraren werden verplicht vanaf 1806 klassikaal les te gaan geven, hierbij werd de oude manier van lesgeven verboden (het zogenaamde hoofdelijk onderwijs).

· Het onderwijs had de bedoeling zowel de maatschappelijke als de christelijke deugden te onderwijzen.